De Paauw – Raadhuis 👍

Rondleidingen om 10, – 12, 14.00u. Aanmelding ter plaatse in de voormalige kwekerij rechts van het raadhuis

 

Buitenplaats De Paauw, nu het raadhuis van de Gemeente Wassenaar, werd in de 19e eeuw bewoond door één van de Oranjes, prins Frederik (1797-1881), een jongere zoon van koning Willem I. Het omringende park is opengesteld voor het publiek. De wetering die aan de westzijde langs het park loopt, de zogenaamde Lijfwatering, stamt al uit de middeleeuwen. De Rijksstraatweg, langs de oostzijde van De Paauw, is al eeuwenoud en liep oorspronkelijk van Haarlem naar Den Haag.

Eigenaren

Buitenplaats De Paauw is in de 17de eeuw ontstaan op grondgebied van twee oudere boerenhofsteden. Deze hofstede Te Pau en een naamloze hofstede dateerden van voor 1544. Te Pau was toen eigendom van de Delftse familie Van der Dussen en werd door hen verpacht aan een lokale boer. Na enkele andere eigenaren, kwamen beide hofsteden in 1680 in eigendom van Mattheus Hoeufft, heer van Buttingen en Zandvoort, die in Den Haag aan de Kneuterdijk woonde. Zij bouwden een huis op de plek van het huidige raadhuis. Daarbij hoorde een fors park in geometrische stijl. Hiervan resteren nog het lindenlaantje in het achterpark en het terrein van de kwekerij naast het huis. Vanaf 1770 tot aan zijn dood in 1816 was het landgoed in het bezit van de politicus Adriaan Pieter Twent (1745-1816). Twent werd onder koning Lodewijk Napoleon in 1807 benoemd tot directeur-generaal (minister) van waterstaat. In die functie zette hij, niet geheel belangeloos, zich in voor de aanleg van de uitwaterende sluizen bij Katwijk en voor de bestrating van de weg van Haarlem naar Den Haag, die langs zijn eigen landgoederen De Paauw en Raaphorst (aangekocht in 1783; nu deel van de Horsten) liep. Ook de verbeterde afwatering via Katwijk zal voor zijn eigen landgoederen van nut zijn geweest. Twent legde stapsgewijs een nieuw park in vroege landschapsstijl aan. In zijn meest uitgebreide vorm, van 1771 tot 1910, besloeg de parkaanleg een oppervlak van circa 37 hectare. Het strekte zich uit van de Lange Kerkdam naar de huidige Paauwlaan. Een deel van Raaphorst werd door Twent aangelegd als overpark van De Paauw.

Omstreeks 1800 liet Twent omstreeks 1800 het huis vernieuwen. Het huis van Twent, dat de kern van het huidige huis vormt, was niet groot, maar had desondanks genoeg allure om er de koning voor de maaltijd te ontvangen, zoals verschillende keren gebeurde. Aan de straatweg liet Twent een theekoepel annex portierswoning bouwen: Op zijn landgoed Raaphorst, direct aan de overzijde van de Rijksstraatweg, had Twent al eerder een koepel op een hoge berg laten bouwen, de huidige Seringenberg.

Twent gedroeg zich op zijn buitenverblijf als een volleerd bosbouwer en herenboer. Op grote schaal liet hij bospercelen aanplanten en ook fokte hij schapen om de wol te verbeteren. Via zijn vriend J.G. graaf van Rechteren die gezant in Spanje was, wist Twent 200 à 300 Spaanse schapen naar Wassenaar te halen. Daarnaast werd er op zijn landgoederen graan verbouwd en was er een boerderij met veertig melkkoeien. ‘Ik leef zeer stil buiten, occupeer mij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat met landbouw en veehoederijen’ schreef Twent aan een vriend. Na gedane arbeid kwam hij thuis bij zijn `dikke brave vrouw, die jaloers is, omdat ze niet met mij meede kan lopen, anders gezond is als een vis, maar zoo dik als een ton, en die ik een ezel zal kopen en een zadel daarop laten maken om dus met mij te kunnen wandelen’.

Na Twents overlijden, kocht prins Frederik in 1833 De Paauw en gebruikte het tot zijn dood in de zomer als buitenverblijf. ’s Winters woonde hij met zijn gezin in een paleis aan het Korte Voorhout in Den Haag. Onder prins Frederik werd het huis De Paauw verschillende keren vergroot, tot het kort na 1850 de gedaante kreeg die het nu nog heeft. Naast De Paauw verwierf de prins ook de Wassenaarse landgoederen Raaphorst, Eikenhorst en Ter Horst, evenals Backershagen, Groot Haesebroek, Wildrust en Maaldrift, waarna de vermaarde tuinarchitect C.E.A. Petzold een plan maakte om de terreinen, tezamen circa 600 hectare groot, samen te smeden.
Prins Frederik overleed in zijn werkkamer —de huidige burgemeesterskamer— op De Paauw. Zijn jongste dochter Marie, in 1871 op De Paauw gehuwd met Wilhelm, Furst zu Wied, werd de nieuwe eigenares, maar verbleef er weinig. Na haar dood in 1910 kwam het landgoed, net als de andere buitens van Frederik, in handen van bouwondernemers en werd het deels verkaveld. Aan de zuidzijde splitste men twee nieuwe landgoederen af: De Pauwhof en het Bos van Ruys. Aan de noordzijde verrees het landhuis Eikenrode, met ten zuiden daarvan het kasteelachtige landhuis Schakenburgh. De noord-westelijke hoek van het landgoed werd in de jaren twintig getransformeerd in een villawijk. In 1912-1913 bewoonde architect en bouwondernemer J.Th. Wouters het huis De Paauw. Hij verkocht het door aan Margo Kessler-de Lange, die na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gastvrijheid verleende aan vijftig Belgische vluchtelingen. Later werden er Nederlandse militairen gelegerd. De laatste particuliere bewoner was de bouwondernemer J.J.M. Chabot, die De Paauw in 1924 voor f 95.000,—aan de gemeente Wassenaar verkocht, die het restaureerde en als gemeentehuis in gebruik nam. Pas in 1949 kon de gemeente ook het omringende park aankopen.

Bouwgeschiedenis

Hoewel vaak wordt gezegd dat Twent een nieuw huis liet bouwen, is het goed mogelijk dat het alleen een verbouwing betreft. Spiegels en twee marmeren pendanttafeltjes uit de grote zaal worden genoemd zowel in de inventaris bij de verkoopakte als bij de inventaris na het overlijden van Twent in 1816. Uit de uitvoerige inventarislijst is ook op te maken dat het huis van Twent te identificeren is als het gedeelte van De Paauw waar tegenwoordig de entree onder de glazen luifel is. Het zeven vensterassen brede pand was, evenals nu, opgebouwd uit souterrain, bel-etage, verdieping en zolder. Net als tegenwoordig betrad men door twee glazen deuren de vestibule op de bel-etage. In het verlengde van de vestibule lag het grootste vertrek, de huidige Tuinzaal, die met drie ramen uitzicht bood op de vijver.

Nadat prins Frederik het huis in 1838 had gekocht, voerde architect J.D. Zocher jr.(1791-1870) verbouwingen uit. Het hoofdgebouw kreeg twee dwarsgeplaatste lagere zijvleugels. Aan de voorzijde kregen deze vleugels halfronde erkers. Het midden-deel werd verhoogd met een attiekzone en kreeg een flauw hellend zadeldak. De hoeken van deze verdieping werden voor-zien van een pseudo-attiek. De oude trap naar de voordeur maakte plaats voor het nog bestaande bordes, met een veranda onder een door slanke gietijzeren kolommen gedragen glazen kap. Ook de tuinzaal aan de achterzijde van het huis werd voorzien van een halfronde erker. In 1853 werd het huis opnieuw vergroot, nu naar ontwerp van de Berlijnse bouwmeester Hermann H.A. Wentzel (1820-1889). Gebouwd werden een nieuwe entree met colonnade, de spiegelhal en de balzaal (de tegenwoordige raadzaal). Deze veranderingen waren duidelijk geïnspireerd door de neoclassicistische bouwsels in Berlijn van de vermaarde Pruisische architect Karl Friedrich Schinkel. Prins Frederik was goed bekend met Schinkels architectuur. Hij was immers in Berlijn opgegroeid, waar de Oranjes in ballingschap verbleven. In 1858 kreeg de voorgevel van het oudste gedeelte van huize De Paauw een strakker uiterlijk doordat de bovenste etage werd rechtgetrokken, waarbij het zicht op het dak werd weggenomen. Aan dit deel van de gevelvierden vijf gebeeldhouwde pauwen aangebracht, evenals het jaartal 1858. Inwendig schijnen toen ook enkele moderniseringen te zijn doorgevoerd.
In 1879 werd aan de noordzijde nog een vleugel aangebouwd, die zeventien salons en logeerkamers bevatte. Aan het eind van deze vleugel was de oranjerie. Deze vleugel is afgebroken na te ijn uitgewoond door de Belgische vluchtelingen en Nederlandse militairen van mevrouw Kessel.

Gemeente als eigenaar 

Nadat De Paauw in 1924 door de gemeente Wassenaar was aangekocht, werd het pand gerenoveerd en geschikt gemaakt als gemeentehuis. In verschillende zalen kwamen scheidingswanden. Veertien vooraanstaande ingezetenen boden aan de inrichting van de raadzaal te verzorgen, waaronder Burgemeester jonkheer B.Ph.S.A. Storm van ’s Gravesande en zijn vrouw. Na de Tweede Wereldoorlog groeide het ambtenarenapparaat snel en bouwde men aan de noordzijde een commissiekamer (de huidige Muzenzaal) met daarboven een archiefbewaarplaats (nog steeds het archief). In 1976 waren er plannen De Paauw verder uit te breiden naar ontwerp van rijksbouwmeester Wim G. Quist. Na heftig verzet vanuit de bevolking tegen aantasting van het huis en kwekerij, werd uiteindelijk besloten elders een nieuw gemeentekantoor te bouwen. De Paauw bleef daarna voornamelijk in gebruik voor representatieve doeleinden. De tuinzaal werd in oude vorm teruggebracht en in de aangrenzende Pieter Twentzaal, is nu een vermoedelijk achttiende-eeuwse plafondschildering te zien, afkomstig uit het gesloopte landhuis Nieuw Rijksdorp aan de Berkheistraat.