Villa Groot Haesebroek🚪

Groot Haesebroekseweg 44
Let op: niet vrij toegankelijk, rondleiding op inschrijving

Alleen het toegangshek met de naam ‘Groot’ en ‘Haesebroek’ aan de Groot Haesebroekseweg, met daarachter de lange oprijlaan, verraadt dat er in de bossen erachter een huis moet liggen dat sterk verbonden is met de geschiedenis van Wassenaar. 

Ooit, in 1937, was Groot Haesebroek een paar maanden geopend voor publiek; nu opent het voor één dag opnieuw zijn deuren.

Locatie en historische context

De Canadese ambassade staat op een deel van het landgoed Groot Haesebroek, dat al in de 14de eeuw als ‘Hasebroec’ (een moerassig land waar blijkbaar veel hazen zaten) wordt genoemd. We weten dat het rond 1750 43 morgen (ongeveer 43 hectare) groot is en bebouwd is met onder meer een huis en een boerderij. In 1854 komt het landgoed in bezit van prins Frederik der Nederlanden. Hij laat het huis bewonen door zijn rentmeester, Martinus Graaf van Limburg Stirum. Het park laat hij aanleggen naar ontwerp van zijn landschapsarchitect Carl Eduard Adolf Petzold (1815-1891). Petzold ontwerpt ook, in samenwerking met Zocher jr., de aanleg van zijn overige bezittingen, zoals De Horsten en De Paauw. Hierdoor ontstaat één groot, aaneengesloten landgoed in landschapstijl. In 1898 verkoopt zijn dochter Prinses Marie Groot Haesebroek aan de arts dr. Marius A.J. Geluk, die enige tijd met zijn gezin woonde. Hij verkoopt in 1907 een deel van het landgoed aan de Exploitatiemaatschappij Park Groot Haesebroek die er een villawijk wil realiseren. De kern van het landgoed met het huis, dat we nu nog Groot Haesebroek noemen, komt in 1916 voor ƒ 170.000 in handen van de Rotterdamse reder Anton George Kröller en zijn echtgenote Helène Müller. Samen ontwikkelen ze een plan voor de ontwikkeling van een landhuis, dat tevens onderdak kan bieden aan de kunstcollectie van de Kröller-Müllers. Uiteindelijk mag in 1928 de Belgische architect Henry van de Velde (1863-1957) een nieuw huis ontwerpen, dat het echtpaar in april 1931 betrekt. Vanaf dat moment is een groot deel van de kunstcollectie in het nieuwe landhuis ondergebracht. In 1937 is het huis zelfs even als museum opengesteld. In hetzelfde jaar nog wordt Groot Haesebroek verkocht aan de Joodse zakenman Daniel Wolf. Hij legt op een deel van het landgoed een golfbaan aan.  Op dat moment wordt ook al gewerkt aan een nieuw museum op de Hoge Veluwe.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt het huis door de Duitse bezetter geconfisceerd en door Wehrmachtsbefehlshaber Friedrich Christiansen als onderkomen gebruikt. Na de bevrijding in mei 1945 blijkt het meeste meubilair uit ‘Groot Haesebroek’ gestolen te zijn. Aanvankelijk verhuren de erfgenamen van Daniel Wolf het huis aan de Canadese regering. In maart 1949 wordt het aan hen verkocht. Sindsdien is het landhuis in gebruik als residentie van de Canadese ambassadeur. De weduwe Wolf, Renée Louise Wolf-Gokkes blijft tot haar overlijden in 1984 op Huize Wiltrust wonen.

De opdrachtgevers

”Ik bouw mijn nieuwe huis. Het wordt een museum en zal later behoren aan het algemeen. Dan zou het over honderd jaar al zijn een interessant monument van kultuur, een groote les hoe ver aan innerlijke beschaving een koopmansgezin uit het begin der eeuw ’t zou hebben gebracht”. Dit zei Hélène Kröller-Müller over haar ambities om haar kunstcollectie in een museumhuis in Wassenaar onder te brengen.

Hélène Emma Laura Juliane Kröller-Müller (1869-1939) was een Duitse redersdochter. Op voorspraak van haar vader, trouwde zij in 1888 met Anthony George Kröller (1862-1941). Hij werd in het jaar daarop directeur van de firma van haar vader, WM. H. Müller & Co. te Rotterdam. Onder zijn bewind maakte het bedrijf een enorme groei door. Vanaf 1900 verhuisde hij het hoofdkantoor naar het Lange Voorhout te Den Haag.

Via haar dochter komt zij in contact met Henk P. Bremmer bij wie ze vanaf 1906 kunstcursussen volgt; wanneer ze begint met het verzamelen van kunst wordt hij, net als Sam van Deventer, haar adviseur en vertrouweling. Wilskrachtig en kapitaalkrachtig wordt in korte tijd een bijzondere collectie opgebouwd. Hoewel in eerste instantie oudere kunst wordt verzameld, ligt het accent al snel op eigentijdse kunst. Reeds in 1914 kocht Hélène haar eerste Mondriaan. In 1928 was de collectie, die toen in een stichting werd ondergebracht, al gegroeid tot 800 schilderijen, 275 beelden, 5000 tekeningen en gravures en 500 objecten van kunstnijverheid. De collectie werd bewaard op het hoofdkantoor in Den Haag, waar de verzameling vanaf 1913 op afspraak te bezichtigen was.

Hélènes verlangen naar een museum om haar collectie tentoon te stellen stamt al uit de beginjaren van haar verzameling. In 1910 verwerft het echtpaar het Wassenaarse landgoed Ellenwoude om een museumhuis te bouwen; In mei 1916 betrekt het echtpaar het landhuis op Groot Haesebroek, dat eveneens in hun bezit is gekomen.

Vanaf 1911 maken zowel Peter Behrens als Ludwig Mies van der Rohe ontwerpen voor een museumhuis. Er worden zelfs op Ellenwoude maquettes op ware grootte van beschilderd zeildoek opgesteld, zodat Hélène het effect in het landschap goed kan beoordelen. Echter geen van de plannen voldoen aan haar hoge verwachtingen. Kort daarna besluit ze de aandacht te verleggen naar de Hoge Veluwe. Het landgoed De Harskamp, dat het echtpaar al in 1909 had aangekocht voor de jacht en de rust, wordt de nieuwe locatie van het museum, waarbij Berlage in 1915 wordt aangetrokken als huisarchitect. Deze samenwerking houdt niet lang stand, waarna Henry van de Velde in 1919 het stokje overneemt. Vanwege financiële problemen wordt de bouw in 1922 gestaakt; vanaf dat moment worden er ook geen kunstwerken meer aangekocht. Alle bezittingen op de Hoge Veluwe, inclusief de kunstcollectie worden geschonken aan de staat onder voorwaarden dat het Rijk de bouw van het museum voor zijn rekening neemt. Van de Velde ontwerpt in 1935 een kleiner ‘overgangsmuseum’. Dit opent zijn deuren op 13 juli 1938 met Hélène als eerste directeur; kort daarna overlijdt ze op 14 december 1939. Dit ‘overgangsmuseum’ vormt nog steeds de kern van het huidige Kröller-Müllermuseum.

De architect

Ook op Groot Haesebroek wordt een nieuw huis gebouwd. Aan Henry van de Velde vraag Hélène om, naast het ontwerp voor het museum op de Veluwe, ook een huis in Wassenaar voor hen te ontwerpen. Henry is van oorsprong kunstschilder, maar ontwikkelt zich via de toegepaste kunst tot architect. Zijn eerste ontwerp, zijn eigen woonhuis uit 1895 is in Art Nouveau stijl. Hij is toonaangevend in de ontwikkeling van deze nieuwe stijl en zet zich sterk af tegen de historiserende stijlen van de 19de eeuw. In de 20ste eeuw omarmt hij de uitgangspunten van het functionalisme en wordt zelfs bestempeld als ‘de apostel van het functionalisme’. Met Henry, die Hélène ‘De Prof’ noemt, gaat de samenwerking beter dan met Berlage. Zijn zoon trouwt zelfs met een dochter van de Kröller-Müllers. Hij blijft tot 1926 in dienst van de familie. Dan vertrekt hij naar België, voor een dienstbetrekking als docent aan de Rijksuniversiteit van Gent. Toch blijft hij werken voor de familie: in 1928 ontwerpt hij het nieuwe huis met het toegangshek. Als Daniel Wolf in 1937 eigenaar wordt, vindt er een inpandige verbouwing plaats naar ontwerp in Art Decostijl van de Amsterdam-Joodse architect Henri Le Grand (1903-1989). Hij is vooral bekend van de winkelinterieurs die hij ontwierp voor de firma’s Huf en Etam in de jaren ’30.

Huis en tuin

Het huis is ontworpen volgens de principes van het ‘Zakelijk Expressionisme’. Hierbij worden de uitgangspunten van het functionalisme (bouwen vanuit de functie, waarbij de vorm volgt) gecombineerd met expressieve lijnen en vormen. Zo zijn de vloeiende, afgeronde vormen niet strikt functioneel, maar dienen ze vooral een fraaie, ‘kubistische’ vormgeving. Vanwege het werken met heldere volumes – als het ware ‘blokjes’ die naar voren, achteren en in elkaar geschoven worden – wordt deze stijl ook wel ‘kubistisch expressionisme’ genoemd. Ook een sterke horizontale belijning is typerend voor deze stijl, die we in Nederland het beste kennen van de architect Dudok. In en rond Wassenaar is de stijl bekend als de Nieuwe Haagse School. De horizontale belijning komt overal terug: in het balkon en in de dakranden. Ook de langgerekte bakstenen die met dikke horizontale voegen zijn gemetseld versterken de horizontaliteit. Zo is een levendig en toch heel strak beeld ontstaan. De indeling en opzet van de plattegrond is daarentegen traditioneel, waarbij er gescheiden vleugels zijn voor meneer en mevrouw; de dienstvertrekken bevinden zich aan de westzijde, waar zich ook de moestuin bevindt.

Met handhaving van de formele 18de-eeuwse structuren, wordt een tuin aangelegd in een voor die tijd moderne stijl, de zogenaamde Nieuw Architectonische Tuinstijl. Hierbij wordt de tuin als een verlengde van de architectuur beschouwd. Het gebouw loopt gaandeweg, via terrassen en trappen, over in de tuin die heel strak en geometrisch is ingedeeld. Oorspronkelijk lag in een van de rechthoekige gazons een vijver. Ten westen van het huis (vanaf de entree naar rechts) ligt nog een moestuin met een kas en een tuinmuur. Deze zijn ook in dezelfde tijd aangelegd.

Binnen is de stijl minder strak en zijn invloeden van de Art Deco nog voelbaar. Bijzonder is het daklicht met gekleurd glas in beton: een nieuwigheid in die tijd, toen het glas doorgaans in lood gevat werd. In de eetkamer staat nog het oorspronkelijke meubilair. Boven de eettafel is een doek van pleisterwerk als decoratie aangebracht. Heel veel details in het huis zijn van koper. Sinds 2001 zijn huis, moes- en siertuin, park en toegangshek beschermd als rijksmonument.