Boerderij Johanneshoeve

Oostdorperweg 208

Inleiding

Op 30 oktober 1630 gaf het Hoogheemraadschap van Rijnland een aantal landgebruikers vergunning tot bepoldering van het veen ten oosten van de Oostdorperweg. Dit is vermoedelijk de aanleiding voor de bouw van boerderij Johanneshoeve. Na een verwoestende brand in 1932 werd alleen de woning van het langhuis in traditionele stijl herbouwd. Gelukkig zijn daarin nog veel zeventiende-eeuwse elementen bewaard gebleven. De boerderij is toegankelijk via de rouw- en trouwdeur.

Geschiedenis

Bouwheer van de Johanneshoeve was Joost Cornelisz Hoogewoert die daarvoor woonde en werkte op de boerderij van zijn voorouders, iets noordelijker gelegen, aan het einde van de Oostdorperweg. In 1641 verkocht Hoogewoert zijn boerderij al weer aan Jeroen Pietersz van Velsen. Bij deze verkoop luidt de omschrijving: een wooninge als huys, backhuys, schuer, bergen, bepootinge ende beplantinge. De volgende eigenaar was Margaretha Besemer, die het huis in 1674 met drie morgen land (ca. 3,5 hectare) vermoedelijk als belegging aankocht. Zoals gebruikelijk in die tijd, is het goed mogelijk dat zij een deel van het huis gebruikte als zomerverblijf om de hitte van de stad te ontvluchten. In 1699 kocht de Rotterdamse koopman Francis Greenwood het pand. Greenwood was ook de eigenaar van buitenplaats Vinkenburg, dat aan de andere kant van de Oostdorperweg lag. Ook in de achttiende eeuw kent de boerderij wisselende eigenaren. Pas in de eeuw daarna, vanaf 1824 of al iets daarvoor is er lange tijd een eigenaar. De familie Barends, een familie van veehouders, pacht in eerste instantie de boerderij, om deze in 1841 zelf aan te kopen. Tijdens de economische depressie in de jaren dertig van de twintigste eeuw raakt de familie in problemen en leidt het eeuwenoude pand onder verwaarlozing. Na de brand in 1932 bouwt G.J. van der Mark, Wassenaars bouwkundige, het pand belangeloos weer op met hulp van bedrijven die bouwmaterialen schonken. Alleen het woonhuis werd herbouwd en smaller dan het oorspronkelijke deel, maar met behoud van de bewaard gebleven zeventiende elementen: de kelder, de opkamer, een deel van het voorhuis en de wenteltrap naar de eerste verdieping.

Twee jaar na de herbouw nam de familie Binnendijk de boerderij over. Nazaten van die eerste Binnendijk zijn de huidige eigenaren.

De boerderij

De oorspronkelijke zeventiende-eeuwse boerderij betreft een langhuisboerderij. Daar waarbij het huis en stal zich onder een dak bevinden en in elkaars verlengde zijn gebouwd. Na de brand is alleen het voorste gedeelte, waar het woonhuis zich bevond, herbouwd en smaller dan het oorspronkelijke huis. Van de bewaard gebleven elementen heeft met name de opkamer nog mooie details uit de eerste helft van de zeventiende eeuw, zoals de eikenhouten betimmering met paneeldeur en een bedstede uit dezelfde tijd. De vloer die bestaat uit witte en zwarte geglazuurde plavuizen, is afgezet met een plint van 17e-eeuwse tegels in ruitpatroon. Deze is ook in de hal aanwezig. Het zware balken plafond uit de opkamer en de zolderbalken in de woonkamer stammen ook uit de zeventiende eeuw.

De kelder is gedekt door een tongewelf met steekkappen. In de hoek zit nog een hardstenenbak met een schrobputje.

Ook het erf aan de zijde van de Oostdorperweg is nog behoorlijk authentiek. De bomen en stinseplanten geven een goed idee van het zeventiende-eeuwse landschap. De vaarsloot ten zijde van de woning liep vroeger door tot de voorgevel.

Bron: R. van Lit, C. Scheffer, Boerenerfgoed. Het boerderijenboek van Voorschoten en Wassenaar, Hollandsche Rading 2006, pp. 304-306