Tuin van Ruys

Onbekend maakt onbemind en dat geldt ook wel een beetje voor de Tuin van Ruys aan de Paauwlaan, die verscholen ligt achter een hoge tuinmuur en vanaf de openbare weg nauwelijks te zien is. Vroeger was dit de moestuin van de villa (nu de woning van de Braziliaanse ambassadeur) die we al vanaf de Backershagenlaan in de verte aan een groot grasveld kunnen zien liggen. De voormalige moestuin (een rijksmonument) is in 2010 door de gemeente grotendeels van beplanting ontdaan, de tuinmuren zijn gerestaureerd, evenals het ketelhuis dat onlangs is betrokken door de Stichting Historisch Centrum Wassenaar.

De huurders van de tuin hebben de tuin nieuw leven ingeblazen. Zo is er een boomgaard, worden er bijen gehouden en gebruikt de Nutsschool de tuin voor hun schooltuintjes. Reden te meer om hier de geschiedenis van deze bijzondere tuin te belichten.

GESCHIEDENIS

Het terrein van Villa Ruys hoorde oorspronkelijk bij De Paauw en was in gebruik als weiland.

In 1914 liet de Rotterdamse havenbaron Daniël Ruys op een kavel van drie hectare aan de nieuw aangelegde Paauwlaan een groot landhuis bouwen naar ontwerp van de architect L.J. Zaaijer. Voor het huis werd een Oud-Hollandse tuin aangelegd. Ten westen van deze tuin, haaks op de weg, verrees in 1916 een grote oranjerie annex plantenkas met een verhoogd middendeel met glazen koepeldak. Deze (inmiddels afgebroken) oranjerie werd verwarmd door middel van het nog bestaande ketelhuis. Aangrenzend aan de oranjerie was in 1915 een grote ommuurde moestuin aangelegd, met in de noordwestelijke hoek een bergschuur.

Opdrachtgever Daniël Ruys (1873-1952) was afkomstig uit een familie van reders. Hij was directeur van de Rotterdamsche Lloyd. Hij trouwde in 1920 met Zonda barones von Haerdtl (1897-1980), een huwelijk dat kinderloos bleef. Ruys was zeer geïnteresseerd in tuinen en tuinbouw. Het zat in de familie: zijn achterneef B. Ruys, eigenaar van een kwekerij, was de vader van de vermaarde tuinarchitect Mien Ruys.

Daniël Ruys en zijn achterneef hadden in 1935 beiden zitting in het Nederlandsch Nationaal Comité Elfde Internationale Bond van Beroepstuinbouwers te Rome. Ruys was lid van het hoofdbestuur en penningmeester van de afdeling Wassenaar van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde. Verder was Ruys sinds 1923 gemeenteraadslid en sedert 1935 tot zijn aftreden in 1945 wethouder en verschillende keren loco-burgemeester van Wassenaar. Verder was hij decennialang secretaris van de Wassenaarsche Bouwvereeniging. In de wijk Kerkehout herinnert een straatnaam aan deze betrokken Wassenaarder.

Na de dood van Ruys in 1952, werden huis en tuin in januari 1955 verkocht aan de gemeente Wassenaar. De gemeente besloot in dat jaar het huis te verhuren aan de ambassade van Brazilië. In 1966 kocht Brazilië het huis. Het achterliggende ‘Bos van Ruys’ werd al in 1956 bij De Paauw gevoegd en is sindsdien opengesteld voor het publiek. Rond die tijd schijnt de oranjerie afgebroken te zijn.

Het westelijke deel van de tuin is verhuurd aan de scouting. In het oostelijke nu opengestelde deel werd rond 1970 de gemeentekwekerij gevestigd. De brug over de sloot aan de Paauwlaan is er pas sinds begin jaren zeventig. Hier was voordien nooit een ingang geweest. In het oostelijk deel werd hier toen de imkerij van dr. Klaas van der Poel gevestigd, die ook nu nog in bedrijf is. In 1988 kreeg de Nutsschool een deel van de tuin ter beschikking voor de aanleg van schooltuintjes. Ook deze zijn nog steeds in gebruik.

DE TUIN VROEGER

In het instandhoudings- en beheersplan uit 2009 zijn diverse herinneringen aan de tuinen opgenomen. Zo geeft het Leidsch Dagblad van 16 juli 1931 een verslag van een excursie naar de tuin. De moestuinen zijn dan voorzien van groentebedden, er is ook een tuin met snijbloemen. Men ziet er cactussen, exotische gewassen, kassen voorzien van elektrisch licht met betonnen vloer, kassen vol komkommers, rozen cactussen en mosplanten. Er is een grote schuur (waarschijnlijk aan de noordwest kant, nu scouting) waarin de binderij is ondergebracht.

Indrukwekkend was de grote koepelkas in drie delen (de oranjerie annex kassen). Eén kas had een rotspartij met mosplanten en een vijvertje met goudvissen. Het middendeel, met glazen koepeldak, was in het midden voorzien van een rotsvijver met fontein, waarboven zich een reusachtige varenplant uitspreidde, die aan het plafond was opgehangen. Hier stonden grote en kleine varengewassen opgesteld en er was een kooi met blauwe en gele parkieten. Het derde gedeelte van de oranjerie was een kas voor de druivenkweek.

In de tuin werkten in de jaren dertig zeven man personeel en een leerling. De tuinbaas zorgde ervoor dat het hele jaar verse bloemen, groenten en fruit beschikbaar waren. Langs de tuinmuren waren lei rekken voor fruitbomen.

De heer N. de Rooij vertelde in december 2008 zijn herinneringen: ‘Hij hielp in de Tweede Wereldoorlog zijn vader die tuinder was. In de schuur werden werktuigen, producten en zaden opgeslagen. De oranjerie werd verwarmd door het aangrenzende ketelhuis, dat uitsluitend de oranjerie bediende. De ketel was kolengestookt en het ketelhuis bevatte ook de kolen- voorraad. In de oranjerie stonden ’s winters sinaasappelbomen, in de kas bij de oranjerie werden druiven gekweekt en er werd zaaigoed opgekweekt om in het voorjaar te kunnen planten. Tegen de muren groeide overal lei fruit. In de moestuin waren veel platte bakken, waarin groenten werden gezaaid en opgekweekt om later uitgepoot te kunnen worden. De tuin leverde sla, andijvie, bonen, kool en bieten. Er werd veel opgeslagen en ingekuild. Dankzij de kas waren er soms al aardbeien terwijl er buiten sneeuw lag’.

Van de opstallen in de tuinen zijn bouwtekeningen bewaard gebleven. Uit een van de tekeningen blijkt dat de vloer van het ketelhuis zeker een meter lager lag dan tegenwoordig: vanaf de buitendeuren ging een trap naar beneden.